De libraties van Mercurius

Mercurius

Algemene informatie

Werk verricht bij de KSB

Contacten en informatie

De libraties van Mercurius

 Mercurius Werk verricht bij KSBWerk verricht bij KSB

De sterrenwacht houdt zich bezig met de libraties van Mercurius. Door het experiment van Peale, weet men dat de metingen van C20, C22, van de obliquiteit en de amplitude van de libratie ons de mogelijkheid bieden om de traagheidsmomenten en de interne structuur van Mercurius te bepalen. Wij kennen de amplitude van de libratie die berekend werd door Jean-Luc Margot : 35 boogseconden.
Marie Yseboodt, onderzoekster aan de sterrenwacht, heeft geprobeerd om de obliquiteit te berekenen aan de hand van de wetten van Cassini. Er bestaan vier toestanden van Cassini voor Mercurius, de meest waarschijnlijke toestand is diegene waarin Mercurius een obliquiteit van 1,6 boogseconde heeft. Over deze waarde bestaat er geen zekerheid aangezien de wetten van Cassini op een empirische manier ontwikkeld werden. Om de verschillende waarschijnlijke toestanden en de waarde van de obliquiteit te bepalen, heeft Marie Yseboodt de positie van het vlak van Laplace zeer nauwkeurig moeten berekenen.
De waarden van C20 en C22 werden gemeten door de Mariner 10, maar ze hebben een onzekerheid van 50%.
De metingen van de ruimtetuigen BepiColombo en Messenger zijn vollediger dan die van de Mariner 10 of vanaf de Aarde. Ze verfijnen sterk de nauwkeurigheid van de resultaten van onze berekeningen.

De wetenschappers van de KSB (Koninklijke Sterrenwacht van België) hebben de libraties van Mercurius berekend. Ze hebben gewerkt met de spin-baan-koppeling door zich te baseren op verschillende modellen van het inwendige van Mercurius. Zij hebben de kern-mantel koppeleffecten op de rotatie van Mercurius berekend, in het geval dat de obliquiteit van Mercurius 0 bedraagt en er sprake is van een Kepleriaanse baan. Zij hebben een numerieke benadering gebruikt door te werken met de software SONYR acroniem voor « Spin-Orbit N-bodY Relativistic model » en zij hebben een set van libraties gegenereerd voor verschillende modellen van het inwendige van Mercurius met verschillende dimensies voor de buitenkern, de binnenkern (vloeibaar of vast) en de mantel van Mercurius. Zij hebben aangetoond dat de invloed van de inertiële koppeling van de orde van de milliboogseconde is. Zij hebben ook aangetoond dat de amplitude van de libratie tot 88 dagen voornamelijk afhangt van de straal van de kern of op een equivalente manier van de concentratie van zwavel in de kern en dat de mogelijke waarden voor de amplitude van de libratie variëren binnen een interval van 20 boogseconde, wat de mogelijkheid biedt om te discrimineren tussen verschillende interne modellen door de precieze toekomstige metingen van Messenger en BepiColombo te gebruiken. Voor meer informatie : zie Rambaux, Van Hoolst, Dehant, and Bois (2007).


Valid XHTML 1.1